
‘Gedwongen verkoop Joods vastgoed zwarte bladzijde in geschiedenis’
AlgemeenAA EN HUNZE - Nederlandse Joden zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) hun rechten ontnomen. Een gevolg van deze ontrechting was de gedwongen verkoop van Joods vastgoed. Dat gebeurde ook in de voormalige gemeenten Rolde en Gieten. Zes percelen van Joodse eigenaren zijn daar gedwongen verkocht. Dat blijkt uit het onderzoek dat de gemeente Aa en Hunze door het Drents Archief liet uitvoeren. ,,Het is een donkere bladzijde in onze geschiedenis, maar dat is geen reden om het weg te stoppen”, zegt wethouder Ivo Berghuis.
De gemeente Aa en Hunze verwachtte inzicht te krijgen in de wijze waarop in de vier voormalige gemeenten Rolde, Gieten Anloo en Gasselte is gehandeld ten aanzien van dit vastgoed tijdens en na de bezetting. In Anloo en Gasselte waren in die tijd geen joodse eigenaren van vastgoed die zijn vervolgd, daarom richtte de aandacht zich op de gemeenten Rolde en Gieten.
In Gieten woonden in die tijd 25 joden en in Rolde 12. Zij werden gedeporteerd en vermoord in een vernietigingskamp. Alleen Mendel Meijer uit Gieten overleefde de vernietigingskampen en keerde later terug naar Gieten. Net als veel andere Joden heeft hij de terugkeer naar zijn vooroorlogse woonplaats als negatief ervaren.
Kadastraal onderzoek en gegevens uit de Verkaufsbücher hebben uitgewezen dat in de voormalige gemeenten zes panden van Joodse eigenaren tijdens de bezetting gedwongen zijn verkocht. Drie van deze panden waren van Joden die woonachtig waren in Gieten en Rolde. Het ging om Simon Valk in Gieten, Simon Nijveen in Gieterveen en Israël Majer Fischer in Nooitgedacht. De andere drie waren eigendom van Joden die in respectievelijk Zuidlaren, Assen en Groningen woonden. Eén pand, de slagerij van Simon Valk, werd gekocht door de gemeente Gieten. Daarbij moet opgemerkt worden dat deze aankoop geschiedde onder een NSB-burgemeester en mogelijk deels politiek gemotiveerd was.
Er kan geconcludeerd worden dat de gemeenten Gieten en Rolde tijdens de bezetting de gedwongen verkoop van vastgoed door de Duitse bezetter hebben gefaciliteerd, bijvoorbeeld door lijsten met informatie aan te leveren en toe te zien op de uitvoering van verordeningen. Er zijn geen aanwijzingen te vinden dat de gemeenten hebben getracht dit en andere anti-Joodse maatregelen te verhinderen. Bij de gedwongen verkoop van Joods vastgoed is bovendien de gemeente Gieten betrokken geweest als koper, namelijk van het pand van slager Simon Valk.
Voor de periode na de oorlog moet strikt genomen geconcludeerd worden dat de gemeenten in principe geen rol speelden bij het rechtsherstel van Joods vastgoed. Rechtsherstel was gebonden aan landelijke wetgeving en moest worden afgehandeld door de oorspronkelijke eigenaren of hun erfgenamen, de bewindvoerders, de oorlogskopers en het Nederlands Beheer instituut binnen de Raad voor het Rechtsherstel. De beleidsmatige keuzes van dit landelijke overheidsorgaan en de manier waarop de procedures rondom rechtsherstel waren ingericht kunnen lokale gemeenten niet aangerekend worden. Dat de procedures, die gegrond waren op het gelijkheidsbeginsel van de herstelwetgeving, op geen enkele manier rekening hielden met de bijzondere positie van Joodse oorlogsslachtoffers, staat buiten kijf. In het geval van het pand van Simon Valk was de gemeente Gieten wel bij het rechtsherstel betrokken in de hoedanigheid van oorlogskoper. Het onderzoek heeft uitgewezen dat de betrokken partijen tot een minnelijke schikking zijn gekomen en de kwestie volgens de toen geldende regels correct is afgehandeld. Hetzelfde geldt voor de andere percelen van Nijeveen en Fischer. De algehele afhandeling van rechtsherstel, met inbegrip van de overdracht van het vermogen aan de erfgenamen, is in alle gevallen eveneens correct afgerond, al nam dit proces veel tijd in beslag.
,,Het rapport geeft nieuwe inzichten over het leed van de Joodse gemeenschap in de voormalige gemeenten Gieten en Rolde tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het is belangrijk om onze geschiedenis, hoe confronterend ook, te kennen en ervan te leren”, zegt wethouder Berghuis die nog geen idee heeft wat de gemeente met de uitkomst van het rapport verder zal doen.







